Winterspelen

 

De tweede soort is de Winterspelen. De winterspelen worden meestal gehouden in februari. De eerste keer dat de Winterspelen zijn gehouden is in 1924 in Chamonix. Iedere 4 jaar worden de Winterspelen gehouden. De laatste spelen zijn dit jaar (2002) gehouden in Salt Lake City. De sporten die daar beoefend werden zijn: alpine skiŽn, curling, bobsleeŽn, biatlon, crosscountry, rodelen, freestyle skiŽn, kunstschaatsen, ijshockey, skeleton, noordse combinatie, snowboarden, schansspringen, schaatsen en short track. Wil je iets meer over de sporten weten kijk dan onder de plaatjes.

1) alpine skiŽn....................2) curling ......................3) bobsleeŽn..............4) biatlon.

.5) crosscountry.................6) rodelen..........................7) kunstschaatsen

8) ijshockey..................9) skeleton.......................10) noordse combinatie....11)snowboarden..

...12) schansspringen...13) schaatsen.......14) short track

Plaatje 1: alpine skiŽn, het alpine skiŽn kent verschillende onderdelen: de reuzenslalom, superreuzenslalom (Super-G), slalom, afdaling, en de alpine combinatie (afdaling en slalom). De Super-G en de alpine combinatie staan sinds 1988 op het Olympische winterprogramma. Zowel dames als heren treden aan op de alpine skinummers.

Plaatje 2: curling, bij curling is het de bedoeling dat je zo dicht mogelijk in de binnenste cirkel van het huis komt. Je zou het kunnen vergelijken met Jeu de Boulles. Het wordt gespeeld met 4 personen. Een persoon schuift, twee personen vegen het ijs glad en een persoon geeft aanwijzingen.

Plaatje 3: bobsleeŽn, de viermansbob staat sinds 1924 op het programma. In 1924 en 1928 kon een team uit vier of vijf man bestaan. De tweemansbob kwam er in 1932 bij en met uitzondering van 1960 staan beide onderdelen sindsdien op het Olympisch programma. In 1952 werden reglementen opgesteld betreffende het totaalgewicht van de slee en de bemanning. Er is een maximumgewicht en teams met een lager gewicht mogen ballast aan boord hebben om tot de maximumgewichtsgrens te komen. De eindtijd wordt bepaald door de tijden van vier races bij elkaar op te tellen.

Plaatje 4: biatlon, de biatlon is een combinatie van twee sporten: langlaufen en schieten. Geschoten wordt met een kleinkalibergeweer en tijdens het lopen mag niet geladen worden. Dit betekent dat de deelnemer in een zo kort mogelijke tijd de schietpositie moet innemen (liggend of staand), laden, mikken en afdrukken. De ski's worden niet afgedaan en na het laatste schot wordt het geweer zo snel mogelijk weer op de rug gehangen en wordt de wedstrijd voortgezet.

Plaatje 5: crosscountry, bij het langlaufen of crosscountry worden wedstrijden gehouden tegen de klok, met uitzondering van de estafettewedstrijden. Zowel dames als heren komen uit in de langlaufwedstrijden. De deelnemers starten elke dertig seconden en werken hun wedstrijd op glooiend terrein af. Het parkoers moet voldoen aan de volgende verplichte hoogteverschillen: 100 meter-5 kilometer dames; 150 meter-10 kilometer dames; 200 meter-10 kilometer heren; 250 meter-15 kilometer en meer voor heren. De manier van voortbewegen is voor elke afstand voorgeschreven. Men onderscheidt de klassieke manier en de vrije stijl.

Plaatje 6: rodelen, rodelen is een sledesport die uitgeoefend wordt op speciaal daarvoor aangelegde banen. De wedstrijdrodelaar draagt een glad pak en een helm met gezichtsbeschermer is verplicht. Om de luchtweerstand tot een minimum te beperken ligt de rodelaar zoveel mogelijk achterover. De voeten steken buiten de rodel uit en zijn naar binnen gedraaid. De stuurriemen, gecombineerd met drukuitoefening van de benen en verplaatsing van het gewicht zorgen voor de gewenste richtingsveranderingen. De eenpersoonsrodel wordt beslist in vier afdalingen en de tweepersoons gaat over twee afdalingen.

Plaatje 7: kunstschaatsen, volgens de reglementen van de Internationale Schaats Unie (ISU) wordt het kunstrijden op de schaats verdeeld in de onderdelen: solotijden (dames en heren), paarrijden en ijsdansen. De negen leden van de jury waarderen de prestaties met de cijfers nul tot zes, met zes als hoogste score.

Plaatje 8: ijshockey, sinds 1920 staat ijshockey op het Olympische programma. Twee ploegen van zes spelers strijden op een veld van 30 meter breed en 61 meter lang. Met behulp van een stick proberen de veldspelers een hardrubberen schijf (puck) in het doel van de tegenstanders te krijgen. De spelers dragen beschermende kleding, een helm en handschoenen. In 2002 staat het ijshockey voor vrouwen voor het eerst op het schema.

Plaatje 9: skeleton, skeleton is een onderdeel van de bobsleesport waarbij de rijder met het hoofd naar voren op een 1 meter lange slee ligt die voorzien is van ťťn paar ijzers. De rijder stuurt door zijn lichaamsgewicht te verplaatsen en met aan de schoenen bevestigde ijzeren punten, waarmee hij tevens remt.

Plaatje 10: noordse combinatie, de noordse combinatie is een combinatie van 15 kilometer langlaufen en 70-meter schansspringen. Sinds 1988 wordt er ook een Noordse Combinatie voor teams gehouden. Het gaat om een combinatie van schansspringen en crosscountry.

Plaatje 11: snowboarden, bij snowboarden heb je net als bij skiŽn een slalom en sierspringen. Bij het sierspringen nemen de snowboarders een aanloopje en dan maken ze een sprong. Bijvoorbeeld een salto. De snowboarders staan met twee voeten op 1 board.

Plaatje 12: schansspringen, sinds 1964 is het schansspringen onderverdeeld in twee evenementen: de 70-meter schans en de 90-meter schans. Elke deelnemer maakt twee sprongen. De sprongen worden beoordeeld op twee criteria: de afstand en de stijl.Het bovenlichaam wordt in een zo klein mogelijke hoek ten opzichte van de ski's gehouden en het lichaam is gestrekt met de armen naast het lichaam. De veerkrachtige, brede ski's worden zo horizontaal mogelijk gehouden en evenwijdig aan elkaar. Bij het neerkomen moet het lichaam van de springer loodrecht op de ski's staan. De armen worden dan gebruikt om het evenwicht te bewaren.

Plaatje 13: schaatsen, bij het hardrijden op de schaats strijden de deelnemers tegen de klok, hoewel ze in paren starten. Alle wedstrijden vinden plaats op een 400 meterbaan die wel of niet overdekt is. Men onderscheidt korte afstanden (500 en 1000 meter), middenafstand (1500 meter) en lange afstanden (3000, 5000 en 10000 meter).

Plaatje 14: short track, sinds 1994 staan ook een individuele 1000 meter voor de vrouwen en een individuele 500 meter voor de mannen op het programma. Shorttrack wedstrijden worden verreden op een baan van 111,12 meter lang. De bochten zijn gemarkeerd door een aantal blokken en er zijn stootkussens tegen de boarding van de baan geplaatst. De schaatsen zijn aangepast aan de korte baan en de scherpe bochten. Het ijzer van de linkerschaats wordt meer naar buiten (links) geplaatst en onder de rechterschaats plaatst men het ijzer meer naar binnen. Door deze aanpassingen kan de schaatser uitzonderlijk schuin in de bocht hangen; soms zo schuin dat met de linkerhand het ijs wordt geraakt. Bij de ploegen- of landenwedstrijden lossen de rijders elkaar af door de teamgenoot een duw te geven. De volle, kleine baan, de verschillende aflossingen en de onvermijdelijke valpartijen zorgen vaak voor een spectaculair wedstrijdverloop.

 

opdrachten

pagina